Een, twee, drie, vier (T 5)
Verdeel de klasgroep in groepjes van 4 leerlingen.
Elk groepje krijgt een dobbelsteen en een blad om de bewerkingen te
noteren.
Bepaal vooraf een startgetal en een eindgetal dat de leerlingen zo dicht
mogelijk moeten proberen te benaderen.
De leerlingen gooien om beurt 2 keer met de dobbelsteen en maken dan
samen de bewerking.
Bewerkingen:
- ik gooi 1 = optellen
- ik gooi 2 = aftrekken
- ik gooi 3 = vermenigvuldigen
- ik gooi 4 = delen
- ik gooi 5 = geen bewerking = opnieuw gooien
- ik gooi 6 = geen bewerking = opnieuw gooien
Een voorbeeld:
Startgetal 5. De eerste leerling gooit 3 en nadien 5.
Ik vermenigvuldig (ik gooide als bewerking 3) het startgetal met 5 (ik
gooide de tweede keer 5).
Bewerking samen te maken: 5 x 5 = 25
De tweede leerling gooit 2 en 6. Van de bekomen uitkomst 25 moet ik 6
(het getal van de tweede gooibeurt) aftrekken (eerste worpbeurt =
bewerking = 2 = aftrekken)