I A (T 17)
Een v
an de kinderen gaat in het midden van een
kring staan. Elk kind is een dier en zoekt daarbij het passend geluid.
Bijvoorbeeld: de poes zegt miauw, de hond zegt waf, de vogel zegt tjip,...
Een van de kinderen start en zegt bijvoorbeeld het geluid van de hond
'waf', de hond reageert hierop en roept bijvoorbeeld miauw.
Als de leerling (die in het midden van de kring staat) de genoemde
leerling kan tikken vooraleer hij/zij een ander geluid roept, dan moet
hij in het midden gaan staan.